Sinds 2010 werkt Boyd Bartels als parkmanager op verschillende bedrijventerreinen in de Rotterdamse regio. Vanuit die rol én als aanjager bij PVB zet hij zich in om de organisatiegraad van bedrijventerreinen in Zuid-Holland te versterken. In dit interview vertelt Boyd waarom toekomstbestendigheid begint met collectiviteit, en waarom duurzame mobiliteit daarin geen doel op zichzelf is, maar een noodzakelijke bouwsteen.
“Alleen als ondernemers samenwerken, kunnen we de grote transities op hun bedrijventerrein waarmaken.”
Wat maakt een bedrijventerrein volgens jou toekomstbestendig?
“Een toekomstbestendig bedrijventerrein is een integrale opgave, waarvan duurzame mobiliteit een onderdeel is. Bedrijven denken ook integraler dan vaak wordt aangenomen. Niet: ‘hier CO₂ uit mobiliteit, daar CO₂ uit productie’, maar: ‘wat betekent dit totaal voor ons rendement, voor personeel, voor continuïteit?’ Pas als er meervoudige waarde ontstaat, gaan bedrijven maatregelen treffen.”
Dus duurzame mobiliteit is nooit een doel op zich. Hoe wordt die verweven in die bredere waarde?
“Voor adviseurs draait het resultaat vaak om harde mobiliteitsdoelen, maar voor werkgevers draait het om rendement, aanwezigheid en gezondheid van medewerkers. Dus als duurzame mobiliteit wordt gepositioneerd, moet het aantoonbare waarde meebrengen.”
En als die meerwaarde zit in collectief vervoer: hoe organiseer je dat?
“Dan moet je dus draagvlak én draagkracht organiseren. Collectief vervoer werkt alleen als de businesscase klopt. Vaak is er subsidie, maar een deel van de kosten ben je aangewezen op gebruik. En daar moet je als werkgever op gaan sturen: bijvoorbeeld OV volledig vergoeden en automobiliteit niet of beperkt. Beleid moet richting geven, anders blijft alles vrijblijvend.”
Opening van het nieuwe fietspad op bedrijventerrein Seggelant in Brielle. Dankzij de goede samenwerking tussen de BIZ en de gemeente kunnen bezoekers en medewerkers het terrein nu veilig en comfortabel per fiets bereiken. Een belangrijke randvoorwaarde voor duurzame mobiliteit op bedrijventerreinen.
Dat sturen raakt direct de bedrijfsvoering. Kun je daar een voorbeeld van geven?
“Ik sprak laatst een werkgever met parkeerproblemen. Hij betaalt 23 cent per kilometer en vindt het niet belangrijk hoe medewerkers komen, zolang ze maar op tijd zijn. Maar dat beleid is juist de oorzaak van zijn parkeerprobleem. Mobiliteit raakt dus zijn continuïteit.”
Je noemde parkeerdruk als bedreiging. Hoe kijk je breder naar ruimtegebruik op terreinen?
“Het is een meerkoppig monster. Ruimte speelt altijd een rol. Soms ligt de oplossing voor een parkeerprobleem in iets simpels: elektrische fietsen binnen een acceptabele straal van het terrein. Dan verandert je probleemstelling. Duurzame mobiliteit is in zo ‘n geval bijvangst, maar wel waardevolle bijvangst – ook qua aantrekkelijkheid voor personeel.”
Maar oplossingen verschillen per terrein. Hoe werk je dan aan gezamenlijk begrip?
“Elkaar begrijpen is essentieel. Een watergebonden terrein is immers anders dan een logistieke hotspot of een agrifoodcluster. Er bestaat geen universele blauwdruk. Uiteindelijk doen mensen zaken met mensen. Je begint bij de kernpunten. Begrip betekent geen direct akkoord, maar wel inzicht in elkaar. Dan kun je waardevrij doorredeneren.”
En dat vereist vertrouwen. Hoe bouw je dat tussen ondernemers op?
“Dat kost tijd. Vaak begin je bij veiligheid: geen inbraken, geen ongevallen, geen ongewenste indringers. De basis op orde. Als dat lukt, bewijst samenwerking z’n waarde en ontstaat onderling vertrouwen. Pas daarna kan je naar wat complexere vraagstukken zoals mobiliteit. Dat ligt in aanvang nog mijlenver van de basis af; om dat op te pakken heb je echt vertrouwen nodig.”
Wanneer samenwerking eenmaal staat: hoe borg je deze structureel?
“Dan komt een kostenverhaal zoals een BIZ of ondernemersfonds in beeld. Die zorgen voor structurele inkomsten en continuïteit. Een fonds kan bijvoorbeeld leiden tot vraaggestuurd elektrisch vervoer als onderscheidende waarde van het terrein. Maar dat werkt alleen als verplichtingen worden overgenomen bij wisseling van ondernemers.”
Dus regels en verplichtingen zijn soms noodzakelijk om vooruit te komen?
“Precies. Harde randvoorwaarden kunnen iets hoger op de agenda duwen. De prikkel ‘Werkgebonden Personenmobiliteit’ deed dat, maar die is helaas weggevallen. Toch blijft mijn overtuiging overeind: zonder collectiviteit geen transitie. Veel projecten mislukken omdat collectief leiderschap ontbreekt en/of niet is geborgd. Collectiviteit is dus de eerste stap.”
Samenvattend benadrukt Boyd dat toekomstbestendige bedrijventerreinen alleen kunnen ontstaan vanuit een integrale aanpak en collectief leiderschap. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Duurzame mobiliteit maakt daar onderdeel van uit, maar is geen doel op zichzelf: het moet duidelijke waarde toevoegen voor bedrijven én medewerkers. Vertrouwen, samenwerking en zorgvuldig sturen op gedrag zijn daarbij onmisbaar. Governancevormen zoals een BIZ of ondernemersfonds zorgen dat oplossingen niet tijdelijk zijn, maar structureel kunnen worden geborgd. Pas wanneer ondernemers elkaar begrijpen, gezamenlijke doelen formuleren en bereid zijn samen stappen te zetten, ontstaat de ruimte om echt toekomstbestendig te worden.
Meer over duurzame mobiliteit