Jens van der Weele
Tijdens het PVB Jaarevent is Jens van der Weele keynote spreker. Als taalstrateeg helpt hij organisaties om woorden te vinden die mensen in beweging brengen. Want taal doet meer dan informeren: woorden sturen hoe we denken, hoe we samenwerken en uiteindelijk ook hoe we handelen.
In een tijd waarin bedrijventerreinen voor grote maatschappelijke opgaven staan, van verduurzaming tot samenwerking tussen ondernemers en overheid, maakt taal volgens Jens het verschil tussen weerstand en daadkracht. In dit interview deelt hij zijn visie op transitietaal, de valkuilen van jargon en hoe gemeenten en ondernemers elkaar beter kunnen vinden in woorden die werken.
Interview met Jens
1. Je noemt jezelf taalstrateeg: wat houdt dat precies in?
Als taalstrateeg help ik organisaties bij het vinden van woorden die werken en bij het ontwerpen van verhalen voor verandering. Veel organisaties zijn daarnaar op zoek: welke boodschap werkt om mensen mee te krijgen in transities? Hoe zetten we een issue of oplossing op de agenda? En hoe stimuleren we duurzaam gedrag?
Taal is cruciaal bij iedere transitie. Hoe we praten vormt hoe we denken, en hoe we denken vormt hoe we doen.
Dat ontdekte ik voor het eerst tijdens mijn studie politiek debat, waarin ik leerde over framing, retorica en argumentatieleer — eigenlijk hoe politici heel bewust hun woorden kiezen om mensen anders te laten kijken naar maatschappelijke vraagstukken. Later ben ik die kennis gaan toepassen als communicatiestrateeg in het publieke domein. Sinds vier jaar doe ik dat zelfstandig onder de naam Transitietaal.
2. Wat fascineert jou het meest aan de relatie tussen taal en gedragsverandering?
Dat taal vaak heel onzichtbaar stuurt hoe we ergens over denken.
We denken vaak dat woorden neutraal zijn en gewoon naar de werkelijkheid verwijzen. We hebben het woord ‘stoel’ en we hebben het ding ‘stoel’. Simpel.
Maar in werkelijkheid zijn er ook veel woorden die je denken sturen. Denk bijvoorbeeld aan het woord genotsmiddelen voor tabak. Zo heeft de lobby het decennialang genoemd. Zodra je die taal overneemt, bevestig je iedere keer dat je het gebruikt dat het inderdaad iets is om van te genieten.
Ben je daar juist kritisch op, dan wil je daar niet in meegaan. Dan kies je bewust je eigen woorden. In dit voorbeeld zou dat ‘verslavende middelen’ kunnen zijn. Zo licht je bewust dát deel van de werkelijkheid uit dat jij in de schijnwerpers wilt zetten: het verslavende karakter.
Dát is waar taalstrategie om draait: bewust woorden kiezen die passen bij hoe jij wilt dat mensen gaan denken.
Het fascinerende vind ik dat dit overal om ons heen gebeurt. Zeg je landbouwgif of gewasbeschermingsmiddel? Havermelk of haverdrank? Laagopgeleid of praktisch opgeleid? Zodra je het eenmaal ziet, kun je het niet meer níet zien.
3. Waar zie jij momenteel de grootste uitdaging in maatschappelijke transities?
De grootste uitdaging zit niet in de techniek of in het beleid, maar in de hoofden van mensen.
We weten dat er veel steun en draagvlak is voor duurzaam en rechtvaardig beleid. Ook maakt een meerderheid van de mensen zich zorgen over klimaatverandering. Daar zit het probleem niet.
De grootste uitdaging is onze mindset: dat wat we met z’n allen geloven. Wanneer we collectief geloven dat anderen er niet om geven, dat wat wij doen toch geen zin heeft, of dat het te laat is, dan wordt dat een self-fulfilling prophecy.
De uitdaging is mensen helpen beseffen dat het wél anders kan.
4. Wanneer ervoer jij voor het eerst dat woorden gedrag kunnen veranderen?
Een mooi voorbeeld vind ik de Bob-campagne. Ontzettend succesvol en inmiddels al meer dan twintig jaar relevant.
Inmiddels snap ik waarom dat zo goed werkt. Bob is een identiteitswoord. Het beschrijft niet alleen gedrag — geen alcohol drinken en rijden — maar zet je in een rol. Het zegt iets over wie jij bent.
Mensen zijn eerder geneigd zich te gedragen naar de rol waarin ze zitten, omdat we graag consistent willen zijn.
Daarnaast werkte het woord Bob als een script voor dagelijkse gesprekken. Het maakte het makkelijker om het onderwerp in een groep bespreekbaar te maken: Wie is de Bob? of Bob jij of bob ik? Die vraag suggereert al dat het vanzelfsprekend is dát er een Bob is; alleen de invulling moet nog worden bepaald.
Een prachtig voorbeeld van hoe krachtig een woord van slechts drie letters kan zijn.
5. Waarom roepen sommige woorden weerstand op, terwijl andere juist beweging creëren?
Dat heeft vaak te maken met verlies en autonomie.
Als je zegt: we moeten minder vliegen, minder vlees eten en minder spullen kopen, is de bedoeling goed. Maar psychologisch werkt het vaak averechts. Mensen voelen zich aangevallen of beperkt in hun vrijheid. Daarom wil je oppassen met woorden als moeten, mogen en minderen. De kunst is woorden te vinden die gaan over willen en winnen. Waarom willen we deze transitie? Wat levert het gewone mensen op? Wat zijn de voordelen?
In plaats van ‘minder mogen vliegen’ kun je het bijvoorbeeld hebben over het avontuur van internationaal treinreizen. Geen vliegschaamte, maar treintrots. Niet consuminderen, maar genieten van genoeg.
6. Is het woord ‘transitie’ zelf eigenlijk ook jargon?
Ja, absoluut.
Voor professionals, beleidsmakers en bestuurders is het een handig begrip. Met één woord vat je iets groots en complexs samen: ingrijpende, structurele maatschappelijke verandering.
Maar naar buiten toe werkt dat vaak anders. Ondernemers of inwoners hebben weinig associaties bij het woord. Voor hen klinkt het abstract en vaag.
Daar zit de paradox: transitie is vaktaal die intern heel efficiënt werkt, maar extern juist afstand kan creëren. Het werkt dan niet verbindend, maar vervreemdend.
7. Wat zijn de grootste taalvalkuilen bij overheidsorganisaties?
Veel professionals hebben last van de curse of knowledge: de kennisvloek.
Als je ergens heel veel van weet, is het lastig om je nog voor te stellen hoe weinig de gemiddelde Nederlander ervan weet. Daardoor schrijven organisaties vaak vanuit hun eigen logica en vaktaal.
Gemeenten sturen dan bijvoorbeeld een brief over de Vaststelling van de Transitievisie Warmte. Voor inwoners zegt dat weinig — en zo’n brief belandt snel in de papierbak.
De oplossing zit in communicatie die begint bij de leefwereld van het publiek: wat betekent het concreet voor hen?
8. Wat gebeurt er als overheid en ondernemers elkaar niet goed begrijpen?
Taal gaat niet alleen over betekenis — begrijpen we elkaar? — maar ook over relatie: horen wij bij elkaar?
Als je overduidelijk een andere taal spreekt dan je gesprekspartner, groeit de kloof. Onbewust voelt de ander dan: wij horen niet bij elkaar.
Wat precies is gezegd wordt snel vergeten, maar het gevoel dat je elkaar gaf blijft hangen. Juist daarom is een gedeelde taal zo belangrijk voor vertrouwen en samenwerking.
9. Hoe kan taal bijdragen aan meer samenwerking op bedrijventerreinen?
Een effectieve boodschap begint niet bij de beleidsopgave, maar bij voorbeeldverhalen van andere ondernemers.
Dus niet: u moet verduurzamen, maar:
“Ondernemers hier op het terrein hebben hun energiekosten met 30% teruggedrongen. Wil je weten hoe?”
Verhalen zijn veel krachtiger dan feiten. Een bottom-up voorbeeld werkt sterker dan een top-down doel.
Niet harder pushen, maar slim verleiden.
10. Wat hoop je dat deelnemers meenemen uit jouw keynote?
Ik hoop dat deelnemers na afloop anders gaan kijken naar de wereld om hen heen en scherper zien hoe bepalend taal is als je met mensen wilt samenwerken.
Ik laat bekende taalvalkuilen zien, geef praktische technieken en veel voorbeelden, zodat deelnemers zelf bewuster hun woorden gaan kiezen.
Want uiteindelijk heb je er pas iets aan als je ermee gaat oefenen in je eigen praktijk.
11. Welke concrete tip zou je professionals morgen al meegeven?
Meer luisteren, minder zenden.
Dat is misschien wel de belangrijkste sleutel als je mensen wilt meenemen in complexe veranderingen.
We zijn vaak geneigd onze eigen agenda te pushen en te vertellen wat wij belangrijk vinden. Maar effectief communiceren begint met oprechte aandacht voor de ander: waar zijn zij mee bezig, wat drijft hen, waar maken zij zich zorgen over?
Pas als je dat weet, kun je een boodschap formuleren die echt raakt.